Engelse termen in de Nederlandse taal.

Niels van den Berg 25.02.2011

Onlangs heb ik een randprogamma bezocht m.b.t het onderwerp citymarketing. In de zaal waren ook burgers aanwezig die met grote interesse de presentatie van Marcel Wendrich hebben gevolgd. Tijdens deze presentatie werd er door Anneke Broekman van de VVD een opmerking gemaakt die betrekking had op de Engelse terminologie. Wanneer we in ogenschouw nemen dat het voornemen van dit college is om meer en beter te communiceren met de burger, kunnen we stellen dat in menig plan dat gepresenteerd wordt dit voornemen teniet wordt gedaan door de hoeveelheid aan Engelse termen die erin gebruikt worden.
Vandaar dat ik een stuk wilde schrijven voor de nieuwsbrief dat over dit onderwerp gaat. Maar aangezien ik het wiel niet opnieuw hoef uit te vinden en even zoeken op Google mij de bruikbare informatie heeft opgeleverd, zal ik het betreffende artikel hieronder plaatsen. Het mag duidelijk zijn dat ik hier pleit voor normaal Nederlands taalgebruik. Want wat volgt er wanneer we de Engelse terminologie in onze harten hebben gesloten?? Stelt u zich voor dat we over tien jaar presentaties krijgen in turbotaal. Of erger nog Engels georiĆ«nteerde turbotaal. Leest u het artikel hieronder. ‘De Nederlandse overheid moet veel meer opkomen voor het behoud van de Nederlandse taal en cultuur. Vooral het vele -en onjuiste- gebruik van Engelse woorden in het dagelijks spraakgebruik ergert dr. W. J. P. van Kesteren. In het Nederlandse taalgebruik komen tegenwoordig steeds meer Engelse woorden voor. Op zich is er natuurlijk niets mis met de taal van de Angelsaksische landen en met de Engelse woorden zelf. Maar op potten pindakaas lazen wij bijvoorbeeld ‘met gratis cast-card’, in het kader van een nieuwe kinderfilm. Zouden Nederlandse kinderen nou echt weten wat dat betekent? En het woord ‘flyer’ wordt verduidelijkt met de uitleg dat het hierbij om een ‘hand-out’ gaat. Volgens ons wordt het taalgebruik met al dat Engels alleen maar onduidelijker en onbegrijpelijker.
Wie erop let, merkt ook al snel dat Nederlanders Engelse woorden bijna altijd verkeerd gebruiken. Een ‘mobile’ is in het Engels namelijk een ‘cell phone’. En wij gebruiken het begrip ‘total loss’ voor iets wat Engelsen een ‘write-off’ noemen. Een ‘stationwagon’ (afkomstig van ‘station waggon’) is voor hen een ‘estate car’
Ook de uitspraak van Nederlanders is vrijwel altijd verkeerd. Maar hoe serieus zouden wij nou een Amerikaan nemen die steeds arrogant weigert een tolk of een woordenboek te gebruiken, maar wel ‘het is huis waar’ zegt?

Natuurlijk werden er altijd al woorden in het Nederlands opgenomen voor zaken die wij nog niet kenden. Door uitwisseling over en weer kunnen wij nu onderscheid maken tussen ‘beschuit’, ‘biskwietje’ en ‘biscuit’ (de eerste bakvorm van porselein). Maar tegenwoordig worden reeds bestaande woorden ouderwets gemaakt en weggedrukt. ‘Chips’ (crisps) vervangt ‘zoutjes’, ‘leidinggevende’ wordt ‘manager’, ‘ontspannen’ wordt ‘relaxed’, ‘hergebruikt’ wordt ‘gerecycled’, ‘dienstverlening’ wordt ‘services’, ‘hemd’ wordt ‘shirt’ enzovoorts.

Eigenlijk hebben overheid, media en bedrijfsleven een nieuwe variant van het Engels bedacht, met een eigen uitspraak, woordenschat en grammatica. Met welk nut? Engelstaligen verstaan of begrijpen de nieuwe variant niet en veel mensen in Nederland worden er juist door buitengesloten. Niet iedereen is namelijk even taalvaardig en ook hebben velen nooit de kans gehad om Engels te leren. Bovendien worden wij steeds meer anonieme wereldburgers door ook nog eens in het Engels te gaan brabbelen.

Onze Nederlandse identiteit wordt toch al steeds meer bedreigd. Door bijvoorbeeld het multiculturele gedram van de overheid en de Europese gelijkschakeling. Maar ook door het antivaderlandse onderwijs, waar het ministerie gedetailleerd en dwingend voorschrijft dat basisschoolleerlingen moeten leren waar de Hwang-ho stroomt maar niet hoeven te weten waar Oss ligt. En overal breidt de hamburgercultuur van kleffe broodjes zich uit.

Binnen de NCD vinden wij dat de overheid hier wat had moet gaan doen. In haar beleid moet zij nadrukkelijker opkomen voor Nederlandse taal en cultuur. Wij vinden het niet juist dat belastinggeld wordt gebruikt voor commissies die voorschrijven hoe men Engelse werkwoorden op Nederlandse wijze moet vervoegen (‘ik heb gedownload’). Of voor commissies die plompverloren grote hoeveelheden Engelse woorden in de Nederlandse taal invoeren.

De overheid moet zich juist veel terughoudender opstellen met spellings- en taalhervormingen, zodat Nederlanders over vijftig jaar nog steeds het werk van Hermans en Vestdijk kunnen lezen zonder steeds een woordenboek te hoeven pakken. Ten slotte hopen wij maar dat Nederlanders toch eens, als kiezer, koper en lezer, gaan protesteren tegen al dat Engelse en Amerikaanse gedoe.’